Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
50 Most Common Adjectives
50 words
Word Image
50 Most Common Adjectives
50 words
blij
(a)
happy
groep van blije mensen
group of happy people
verdrietig
(a)
sad
verdrietige jongen
sad boy
boos
(a)
angry
De manager werd boos.
The manager got angry.
kalm
(a)
calm
De vrouw is kalm.
The woman is calm.
eenzaam
(a)
lonely
alleen en eenzaam
alone and lonely
ziek
(a)
sick
De vrouw is ziek van de griep.
The woman is sick with the flu.
beleefd
(a)
polite
beleefde buurvrouw
polite neighbor
slim
(a)
clever
Ik moet toegeven, Manager Zhang zijn dochter is een slim persoon.
I have to admit, Manager Zhang's daughter is a clever person.
eerlijk
(a)
honest
Hij is een eerlijk persoon.
He is an honest person.
irritant
(a)
annoying
irritant persoon
annoying person
trots
(a)
proud
klein
(a)
small
nauw
(a)
narrow
nauwe doorgang
narrow pass
kort
(a)
short
kort haar
short hair
hard
(a)
hard
zacht
(a)
soft
zachte handdoeken
soft towels
licht
(a)
light
Rugzaken zouden licht en makkelijk om te dragen moeten zijn.
Back packs should be light and easy to carry.
goedkoop
(a)
cheap
Ik ben op zoek naar een goedkoop paar schoenen.
I'm looking for a cheap pair of shoes.
duur
(a)
expensive
duur huis
expensive house
druk
(a)
busy
Vandaag heb ik druk.
Today, I'm busy.
zonnig
(a)
sunny
Op zonnige dagen is het op het strand erg druk.
On sunny days, the beach is very crowded.
regenachtig
(a)
rainy
Ik moet kranten rondbrengen op regenachtige dagen en winderige dagen.
I have to deliver newspapers on rainy days and windy days.
vochtig
(a)
humid
Het is vochtig
It's humid in August.
winderig
(a)
windy
Morgen wordt het koud en winderig dus draag een sjaal.
Tomorrow will be cold and windy, so wear a scarf.
bewolkt
(a)
cloudy
Het is bewolkt vandaag.
It's cloudy today.
0 Comments
Top