Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
50 Most Common Adjectives
50 words
Word Image
50 Most Common Adjectives
50 words
lang
(a)
tall
De jongen is langer dan het meisje.
The boy is taller than the girl.
mooi
(a)
beautiful
mooie actrice
beautiful actress
klein
(a)
small
zacht
(a)
soft
zachte handdoeken
soft towels
vuil
(a)
dirty
De straten van de stad zijn erg vuil.
The city streets are very dirty.
blij
(a)
happy
groep van blije mensen
group of happy people
eenzaam
(a)
lonely
alleen en eenzaam
alone and lonely
moe
(a)
tired
Ik ben vandaag erg moe.
I'm really tired today.
schoon
(a)
clean
De keuken is schoon maar de slaapkamer is nog steeds rommelig.
The kitchen is clean, but the bedroom is still messy.
makkelijk
(a)
easy
moeilijk
(a)
difficult
Engels is moeilijk.
English is difficult.
boos
(a)
angry
De manager werd boos.
The manager got angry.
beleefd
(a)
polite
beleefde buurvrouw
polite neighbor
slim
(a)
clever
Ik moet toegeven, Manager Zhang zijn dochter is een slim persoon.
I have to admit, Manager Zhang's daughter is a clever person.
eerlijk
(a)
honest
Hij is een eerlijk persoon.
He is an honest person.
trots
(a)
proud
koel
(a)
cool
koele dag
cool day
koud
(a)
cold
Je handen zijn erg koud.
Your hands are so cold.
hete
(a)
hot
nauw
(a)
narrow
nauwe doorgang
narrow pass
kort
(a)
short
hard
(a)
hard
licht
(a)
light
Rugzaken zouden licht en makkelijk om te dragen moeten zijn.
Back packs should be light and easy to carry.
goedkoop
(a)
cheap
Het polshorloge is niet goedkoop.
The wrist watch is not cheap.
duur
(a)
expensive
duur huis
expensive house
0 Comments
Top