Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
50 Most Common Verbs
50 words
Word Image
50 Most Common Verbs
50 words
rusten
(v)
rest
De man is aan het rusten in de hangmat.
The man is resting in the hammock.
koken
(v)
cook
De chef is aan het koken in de keuken,
The chef is cooking in the kitchen.
terugkeren
(v)
return
De vader keert terug naar huis.
The father returns home.
baden
(v)
bathe
De broers zijn aan het baden in de badkuip.
The brothers are bathing in the bathtub.
slapen
(v)
sleep
Je moet tenminste acht uur per nacht slapen
You should sleep at least eight hours every night.
wakker worden
(v)
wake up
Ik word elke dag om zes uur 's ochtends wakker.
I wake up every morning at six o'clock a.m.
voelen
(v)
feel
De jongen voelt zich verdrietig.
The boy feels sad.
tekenen
(v)
draw
De kunstenaar is een tekening aan het tekenen.
The artist is drawing a picture.
aandoen
(v)
turn on
De man doet het licht aan.
The man turns on the light.
arriveren
(v)
arrive
op school arriveren
arrive at school
beantwoorden
(v)
answer
De leerlingen zijn de vragen aan het beantwoorden.
The students are answering the questions.
lesgeven
(v)
teach
De leraar is de klas aan het lesgeven.
The teacher is teaching the class.
vragen
(v)
ask
De student van de universiteit is een vraag aan het stellen.
The university student is asking a question.
ontvangen
(v)
receive
De man is geld aan het ontvangen.
The man is receiving money.
plannen
(v)
plan
plan het budget
plan the budget
uitleggen
(v)
explain
De professor is het diagram aan het uitleggen.
The professor is explaining the diagram.
kunnen
(v)
can
Hij kan rijden maar niet zo goed.
He can drive, but not very well.
dichtdoen
(v)
close
De studente van de universiteit is de deur aan het sluiten.
The university student is closing the door.
kopen
(v)
buy
kopen met een creditcard
buy with a credit card
willen
(v)
want
De kantoorbedienden willen de donut.
The office workers want the doughnut.
lezen
(v)
read
de krant lezen
read the newspaper
zoeken
(v)
search
Ik gebruik een telefoonboek om een telefoonnummer te zoeken.
I use the phone book to search for phone numbers.
rondreizen
(v)
tour
rondreizen langs de ruรฏnes
tour the ruins
zetten
(v)
put
Zet het bord aan de voorkant van het gebouw.
Put the sign on the front of the building.
gebruiken
(v)
use
De programmeur gebruikt de computer.
The programmer uses the computer.
0 Comments
Top