Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
50 Most Common Verbs
50 words
Word Image
50 Most Common Verbs
50 words
annuleren
(v)
cancel
de vergadering annuleren
cancel the meeting
doen
(v)
do
De vrouw is huishoudelijk werk aan het doen.
The woman is doing housework.
gaan
(v)
go
ga rechtdoor
go straight ahead
eten
(v)
eat
De jongen is een hotdog aan het eten.
The boy is eating a hot dog.
komen
(v)
come
Het meisje komt naar de camera.
The girl is coming towards the video camera.
sterven
(v)
die
Hij stierf vorig jaar door een ongeluk.
He died in an accident last year.
staan
(v)
stand
De advocaat staat bij een bushalte.
The lawyer is standing at the bus stop.
arriveren
(v)
arrive
thuis arriveren
arrive home
rusten
(v)
rest
De man is aan het rusten in de hangmat.
The man is resting in the hammock.
koken
(v)
cook
De chef is aan het koken in de keuken,
The chef is cooking in the kitchen.
terugkeren
(v)
return
De vader keert terug naar huis.
The father returns home.
slapen
(v)
sleep
Het meisje staat op het punt te gaan slapen.
The girl is about to sleep.
wakker worden
(v)
wake up
De vrouw wordt wakker en komt uit bed.
The boy wakes up and leaves his bed.
voelen
(v)
feel
De jongen voelt zich verdrietig.
The boy feels sad.
tekenen
(v)
draw
De kunstenaar is een tekening aan het tekenen.
The artist is drawing a picture.
beantwoorden
(v)
answer
De leerlingen zijn de vragen aan het beantwoorden.
The students are answering the questions.
lezen
(v)
read
De jongen leest een boek in het park.
The boy is reading a book in the park.
lesgeven
(v)
teach
De leraar is de klas aan het lesgeven.
The teacher is teaching the class.
vragen
(v)
ask
De student van de universiteit is een vraag aan het stellen.
The university student is asking a question.
ontvangen
(v)
receive
De man is geld aan het ontvangen.
The man is receiving money.
plannen
(v)
plan
plan het budget
plan the budget
uitleggen
(v)
explain
De professor is het diagram aan het uitleggen.
The professor is explaining the diagram.
kunnen
(v)
can
Hij kan rijden maar niet zo goed.
He can drive, but not very well.
dichtdoen
(v)
close
De studente van de universiteit is de deur aan het sluiten.
The university student is closing the door.
kopen
(v)
buy
Het stel is kleding aan het kopen.
The couple is buying clothes.
0 Comments
Top