Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
Common Actions
25 words
Word Image
Common Actions
25 words
vrezen
(v)
fear
Vampieren vrezen de zon.
Vampires fear the sun.
voelen
(v)
feel
De jongen voelt zich verdrietig.
The boy feels sad.
geloven
(v)
believe
Ik kan dat verhaal niet geloven.
I can't believe that story.
kunnen
(v)
can
Hij kan rijden maar niet zo goed.
He can drive, but not very well.
lijken
(v)
resemble
op elkaar lijken
resemble one another
respecteren
(v)
respect
De jongen respecteert zijn grootvader.
The boy respects his grandfather.
bedanken
(v)
thank
iemand bedanken
thank someone
zijn
(v)
be
Het is een kat.
It's a cat.
houden van
(v)
love
De man houdt van de vrouw.
The man loves the woman.
willen
(v)
want
De kantoorbedienden willen de donut.
The office workers want the doughnut.
nodig hebben
(v)
need
Ik heb hulp nodig.
I need help.
lezen
(v)
read
De jongen leest een boek in het park.
The boy is reading a book in the park.
doen
(v)
do
De vrouw is huishoudelijk werk aan het doen.
The woman is doing housework.
gaan
(v)
go
ga rechtdoor
go straight ahead
eten
(v)
eat
De jongen is een hotdog aan het eten.
The boy is eating a hot dog.
spreken
(v)
speak
De spreker is aan het spreken op de conferentie.
The speaker is speaking at the conference.
komen
(v)
come
Het meisje komt naar de camera.
The girl is coming towards the video camera.
staan
(v)
stand
De advocaat staat bij een bushalte.
The lawyer is standing at the bus stop.
zeggen
(v)
say
De mensen zeggen, "Hallo"
The people say, "Hello."
bellen
(v)
call
De moeder is haar dochter aan het bellen.
The mother is calling her daughter.
zien
(v)
see
Ik ga een dokter bezoeken.
I'll go see a doctor.
zien
(v)
see
iets zien
see something
kijken
(v)
watch
film kijken op een grootscherm tv.
watch a movie on a big screen TV
missen
(v)
miss
het doel missen
miss the target
binnengaan
(v)
enter
een gebouw binnengaan
enter a building
0 Comments
Top