Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
Must-Know Autumn Vocabulary
18 words
Word Image
Must-Know Autumn Vocabulary
18 words
trui
feminine
(n)
sweater
De vrouw draagt een zwarte trui.
The woman is wearing a black sweater.
blad
neutral
(n)
leaf
koel
(a)
cool
koele dag
cool day
Halloween
neutral
(n)
Halloween
regenachtig
(a)
rainy
Ik moet kranten rondbrengen op regenachtige dagen en winderige dagen.
I have to deliver newspapers on rainy days and windy days.
winderig
(a)
windy
Morgen wordt het koud en winderig dus draag een sjaal.
Tomorrow will be cold and windy, so wear a scarf.
verkoudheid
masculine
(n)
cold
Ik heb een kou gevat.
I caught a cold.
herfst
masculine
(n)
autumn
herfst
masculine
(n)
fall
Thanksgiving
neutral
(n)
Thanksgiving
pompoentaart
masculine
(n)
pumpkin pie
longsleeve
neutral
(n)
long-sleeved shirt
kastanje
feminine
(n)
chestnut
herfstnacht
masculine
(n)
autumnal equinox
herfstkleuren
masculine
(n)
fall foliage
terug naar school
(p)
back to school
verandering van seizoen
(p)
change of season
vallende bladeren
(p)
falling leaves
0 Comments
Top