Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
People - Feelings
16 words
Word Image
People - Feelings
16 words
bang
(a)
afraid
De jongen is bang.
The boy is afraid.
blij
(a)
happy
groep van blije mensen
group of happy people
ontevreden
(a)
unsatisfied
ontevreden
unsatisfied
eenzaam
(a)
lonely
alleen en eenzaam
alone and lonely
vrezen
(v)
fear
Vampieren vrezen de zon.
Vampires fear the sun.
voelen
(v)
feel
De jongen voelt zich verdrietig.
The boy feels sad.
zorgen maken
(v)
worry
De vrouw maakt zich zorgen over de rekening.
The woman worries about the bill.
bezorgd
(a)
anxious
Morgen worden de examenresultaten bekend gemaakt en ik ben er erg bezorgd over.
The exam results are coming out tomorrow, and I'm really anxious about it.
boos
(a)
angry
De manager werd boos.
The manager got angry.
trots
(a)
proud
verdrietig
(a)
sad
Ze ziet er erg verdrietig uit vandaag.
She looks really sad today.
saai
(a)
boring
De jonge man luistert naar een saaie lezing.
The young man is listening to a boring lecture.
kalm
(a)
calm
De vrouw is kalm.
The woman is calm.
boeiend
(a)
exciting
boeiende wedstrijd
exciting game
tevreden
(a)
satisfied
tevreden gevoel
satisfied feeling
verontwaardigd
(a)
upset
De man is verontwaardigd omdat hij nog steeds veel werk heeft.
The man is upset, as he has a lot of work remaining.
0 Comments
Top