Start Learning Dutch in the next 30 Seconds with
a Free Lifetime Account

Or sign up using Facebook
Word Image
Vocabulary for the 25 Most Commonly Used Verbs of Any Language
25 words
Word Image
Vocabulary for the 25 Most Commonly Used Verbs of Any Language
25 words
gaan
(v)
go
ga rechtdoor
go straight ahead
eten
(v)
eat
De kinderen eten een watermeloen.
The children are eating watermelon.
drinken
(v)
drink
drink uit een plastic fles
drink from a plastic bottle
komen
(v)
come
Het meisje komt naar de camera.
The girl is coming towards the video camera.
slapen
(v)
sleep
Je moet tenminste acht uur per nacht slapen
You should sleep at least eight hours every night.
begrijpen
(v)
understand
De leerlingen van de basisschool begrijpen de vraag.
The elementary school students understand the question.
vragen
(v)
ask
De student van de universiteit is een vraag aan het stellen.
The university student is asking a question.
rennen
(v)
run
De vrouw rent over het strand.
The woman is running on the beach.
nadenken
(v)
think
De vrouw is aan het nadenken over het antwoord.
The woman is thinking about the answer.
weten
(v)
know
jezelf kennen
know yourself
nodig hebben
(v)
need
Ik heb hulp nodig.
I need help.
nemen
(v)
take
De mensen namen de aardbeien.
The people took the strawberries.
gebruiken
(v)
use
De programmeur gebruikt de computer.
The programmer uses the computer.
zeggen
(v)
say
De mensen zeggen, "Hallo"
The people say, "Hello."
spreken
(v)
speak
De spreker is aan het spreken op de conferentie.
The speaker is speaking at the conference.
werken
(v)
work
zien
(v)
see
iets zien
see something
geven
(v)
give
De vader is de munten aan het geven.
The father is giving coins.
worden
(v)
become
De rups is een vlinder aan het worden.
The caterpillar is becoming a butterfly.
beginnen
(v)
start
De atleten beginnen aan de race.
The athletes are starting the race.
vertrekken
(v)
leave
het kantoor velaten
leave the office
wachten
(v)
wait
buiten wachten
wait outside
bestaan
(v)
exist
bellen
(v)
call
spelen
(v)
play
0 Comments
Top